AH-VH

Hoe wordt hemofilie overgedragen?

In de meerderheid van de gevallen is hemofilie een erfelijke ziekte. De overdracht van hemofilie is recessief en geslachtsgebonden. In de praktijk komt hemofilie voornamelijk voor bij mannen.

De cellen van ons organisme zijn geprogrammeerd met erfelijke informatie van de vader en de moeder. Deze informatie noemen we 'genen'. De genen vinden we op structuren die 'chromosomen' worden genoemd. Twee van deze chromosomen bepalen het geslacht van elk individu. Ze worden respectievelijk de 'X' en 'Y' chromosomen genoemd. Vrouwen hebben twee X chromosomen (XX) terwijl we bij de mannen een X chromosoom en een Y chromosoom (XY) vinden.

De genetische afwijking die verantwoordelijk is voor hemofilie treffen we aan op het X chromosoom. Bij de hemofiliepatiënt bestaat er een afwijking op het niveau van zijn chromosoom X op de plaats waar zich de noodzakelijke informatie voor de aanmaak van factor VIII of van factor IX bevindt. Doordat de genetische informatie foutief of onleesbaar is, kan de productie van één van de factoren niet op een normale manier gebeuren.

Sommige vrouwen (XX) beschikken over een genetische afwijking, verantwoordelijk voor hemofilie op het niveau van één van hun X chromosomen. Deze vrouwen, die zelf geen hemofilie hebben, worden draagsters van hemofilie genoemd (XX). Immers, gezien ze beschikken over twee X chromosomen, ontvangen ze van het tweede chromosoom alle noodzakelijke informatie voor de productie van een zekere hoeveelheid factor VIII of factor IX. In sommige omstandigheden echter, is de hoeveelheid factor beperkt en te klein om een normale bloedstolling te verzekeren in het geval van een heelkundige ingreep, een ongeval of een bevalling. Juist daarom moet bij alle vrouwen of meisjes die draagster zijn de hoeveelheid factor VIII of factor IX gemeten worden. Ideaal gebeurt deze meting tijdens de kindertijd of de adolescentie of in ieder geval vooraleer een operatie wordt gepland. Naar schatting heeft een derde van de draagsters een beperkte hoeveelheid factor VIII of factor IX.

De hemofiliepatiënt kan zijn ziekte doorgeven aan zijn nakomelingen (figuur). De situatie is verschillend wanneer het gaat om meisjes of om jongens. De dochters (XX) van elke hemofiliepatiënt erven het X chromosoom van hun vader en het ander X chromosoom van hun moeder. Men zegt dat ze verplicht draagster zijn, aangezien ze noodzakelijkerwijs het abnormale gen van hun vader ontvangen. De zonen (XY) van een hemofiliepatiënt zullen zelf nooit hemofilie hebben. Ze ontvangen van hun vader het Y chromosoom (dat geen noodzakelijke informatie voor de productie van factor VIII of factor IX draagt) en van hun moeder het X chromosoom (dat normaal is). Elke moeder die draagster is, geeft aan haar kind één van haar twee X chromosomen door. Daarom heeft elke dochter van een draagster 50 % kans om op haar beurt draagster (XX) te worden. Om dezelfde reden heeft elke zoon van een draagster 50 % kans om hemofilie (XY) te krijgen.

Erfelijkheid van Hemofilie

AHVH 009 Transmission1NLOver het algemeen heeft de hemofiliepatiënt het abnormale X chromosoom van zijn moeder geërfd. De genetische afwijking, verantwoordelijk voor de hemofilie, kan gedurende meerdere opeenvolgende generaties in dezelfde familie sluimerend aanwezig zijn en zich niet veruiterlijken. Dat is zo wanneer het abnormale X chromosoom van dochter op dochter wordt doorgegeven. Nauwgezette ondervraging van de hemofiliepatiënten omtrent de familiale voorgeschiedenis maakt het over het algemeen mogelijk om binnen dezelfde familie andere hemofilielijders te identificeren of te vermoeden (grootvader langs moederszijde, oom(s) of draagsters (moeder, grootmoeder langs moederskant, tante(s)). Hemofilie wordt bij bijna 30 % van de patiënten ontdekt, zonder dat een ander lid van de familie een gelijkaardige ziekte vertoont. In dit geval is het opduiken van hemofilie wellicht het gevolg van het spontaan verschijnen van genetische afwijkingen, meestal in vorige generaties.

Voor de verschillende leden van dezelfde familie is de graad van hemofilie meestal sterk gelijkend. Daardoor bestaan er families met ernstige hemofilie zoals er families met een lichte vorm van hemofilie bestaan. Dit is te verklaren doordat hetzelfde defecte X chromosoom, overgeërfd wordt door de verschillende hemofilielijders van dezelfde familie.

Als er een familiale hemofiliecontext bestaat is het belangrijk de draagsters te identificeren. In bijna 95 % van de gevallen blijkt dit mogelijk te zijn. De noodzakelijke onderzoeken kunnen gebeuren in bepaalde centra die zich bezighouden met hemofilie. Wanneer is aangetoond dat een vrouw draagster is, kan zij dan, goed voorgelicht, het belang van den diagnostisch prenataal onderzoek overwegen. De bedoeling van dit onderzoek is uitsluitsel te geven of het verwachte kind hemofilie heeft.

Het diagnostisch prenataal onderzoek kan vroeg tijdens de zwangerschap gebeuren (rond de tiende week) met een methode die 'vlokkentest' wordt genoemd. Daarbij wordt een klein staaltje van de placenta genomen, hetzij via de baarmoederhals, hetzij onder lokale verdoving via een punctie van de buikwand. Later in de zwangerschap kan men met andere technieken, zoals de punctie van vruchtwater of het afnemen van bloed van de foetus, een diagnose stellen omtrent hemofilie.

Mocht blijken dat de foetus ernstige hemofilie heeft, dan zullen de ouders geconfronteerd worden met de moeilijke keuze om de zwangerschap voort te zetten of af te breken. De centra voor de behandeling van hemofilie moeten in samenwerking met de genetici aan de ouders de noodzakelijke steun kunnen bieden om hen toe te laten de best mogelijke beslissing te nemen.

U bevindt zich hier: AHVH INFORMATIE Hemofilie A en B Erfelijkheid