AH-VH

Het opsporen van het draagsterstatuut

De stamboom, opgemaakt tijdens de raadpleging, geeft de mogelijkheid om te bepalen of een vrouw uit de omgeving van een hemofiliepatiënt, naargelang haar familieband, potentieel draagster of geleidster is.

  • Alle dochters van een hemofiliepatiënt zijn immers noodzakelijkerwijze draagsters. Men spreekt over obligate draagsters. Hetzelfde geldt voor de moeders die minstens twee kinderen met hemofilie of slechts één kind met hemofilie en hemofilie antecedenten aan moederszijde hebben.
  • Bepaalde vrouwen moeten als mogelijke draagsters beschouwd worden: de moeder van slechts één kind met hemofilie, de zuster van een hemofiliepatiënt, de moeder van een draagster, de tantes, de nichten, kleinkinderen en de grootmoeder aan moederszijde, de andere vrouwen met verder verwijderde verwantschap aan moederszijde.

Voor de mogelijke draagsters zijn speciale onderzoeken vereist teneinde vast te stellen of zij draagster zijn. Deze opsporingsmethoden bestaan uit het doseren van de factor VIII of de factor IX gehalte en een genetische studie. De factor VIII of IX (naargelang het soort hemofilie in de familie) moet onder gunstige omstandigheden onderzocht worden. Het bepalen van de factor VIII moet buiten die omstandigheden verwezenlijkt worden die het niveau van factor VIII verhogen (griep, stress, pil of zwangerschap).

Over het algemeen ligt de gemiddelde concentratie van factor VIII bij de draagsters rond de 50% hoewel dit aanzienlijk kan variëren. De niet-draagsters hebben hogere factor VIII concentraties, rond de 100%. Dat wordt verklaard door het feit dat in elke cel van een vrouw, één van beide X-chromosomen op 'non-actief' staat. Men spreekt over lyonisatie processen. Dit proces gebeurt willekeurig en treft of het normale X-chromosoom of het getroffen X-chromosoom. Zelfs wanneer de bepaling van het factorgehalte informatief is, is dit geen duidelijke indicatie om te bevestigen of uit te sluiten dat iemand draagster is of niet.

De formele identificatie van draagsters berust op genetische analyse. Deze analyse zal de afwijking van het gen binnen de familie onderzoeken en bepalen. Als deze genetische afwijking gekend is (mutatie, vernietiging, inversie,...), is het mogelijk om de draagsters formeel te identificeren door hun X-chromosoom te analyseren. Als de genetische afwijking niet gekend is, dan moeten andere indirecte analyses gemaakt worden. Die hebben tot doel de verschillende kenmerken van het X-chromosoom van hemofiliepatiënt te vergelijken met deze van de mogelijke draagsters van zijn familieomgeving. Deze benadering, de studie van polymorphismen, is iets minder betrouwbaar dan de rechtstreekse genetische analyse van de mutatie.

Een onderzoek van zo een mutatie kan slechts bij draagster patiënten gebeuren of bij hen die rechtstreekse baat ondervinden bij het weten van de afwijking. Dit kan problemen geven bij kleine meisjes. Bij hen moet men zeker zijn dat zij geen bloedingen vertonen. Als zij onderhevig zijn aan het risico van complicaties van bloedingen bij een heelkundige ingreep, wordt het bepalen van de FVIII - of FIX - concentratie aanbevolen.

Het is belangrijk te benadrukken dat de genetische analyses slechts uitgevoerd worden in gespecialiseerde hemofiliecentra die in nauwe samenwerking met een bevoegd centrum voor genetica werken. Rekening houdend met de belangrijke vooruitgang die in de loop van de laatste jaren op het gebied van de genetica is geboekt, is het vaak nuttig om zich ervan te overtuigen dat de verkregen resultaten van de analyses uit het verleden bevestigd worden.